ECLI:NL:HR:2005:AU4734
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing fraus legis en deelnemingsvrijstelling in vennootschapsbelasting
Belanghebbende kreeg voor de jaren 1993 en 1994 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werden gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de Inspecteursbesluiten en verminderde de aanslagen aanzienlijk. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat sprake was van een reële risico-overdracht aan A via de herverzekeringsovereenkomst, ondanks het behoud van financieel belang door belanghebbende als moedermaatschappij. Dit leidde tot de conclusie dat geen fraus legis was gepleegd.
Voorts bevestigde de Hoge Raad dat de aandelen in A kwalificeren als deelneming in de zin van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en dat deze niet werden aangehouden als belegging. De Staatssecretaris slaagde er niet in dit oordeel in cassatie te weerleggen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee bleef het oordeel van het Hof in stand dat de aanslagen verminderd moesten worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.