ECLI:NL:HR:2005:AU3335

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00368/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 Wegenverkeerswet 1994Art. 457 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe bewijsmiddelen

De aanvrager werd door de Politierechter te Amsterdam veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete. Tegen dit vonnis werd een verzoek tot herziening ingediend bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 457 Sv Pro, waarin is bepaald dat herziening slechts mogelijk is indien nieuwe, bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekende bewijsmiddelen een ernstig vermoeden scheppen dat het vonnis anders had moeten uitvallen. De aanvrager leverde aanvullende brieven aan, maar deze bevatten geen nieuwe omstandigheden die aan deze strenge criteria voldeden.

Eerdere herzieningsverzoeken waren reeds niet-ontvankelijk verklaard, en de huidige aanvraag bevatte geen nieuwe gronden die deze uitspraken konden weerleggen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk, waarmee het oorspronkelijke vonnis in stand bleef.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe relevante bewijsmiddelen.

Uitspraak

13 september 2005
Strafkamer
nr. 00368/05 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 7 februari 2002, nummer 13/111253-01, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een geldboete van € 800,-, subsidiair 32 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Ter staving van het gestelde zijn op 4 april 2005, 6 april 2005 en 24 juni 2005 aanvullende brieven van de aanvrager bij de Hoge Raad binnengekomen.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Bij beslissingen van de Hoge Raad van 30 september 2003, nr. 01181/03 H, 4 mei 2004, nr. 00398/04 H en 9 november 2004, nr. 02010/04 H zijn eerdere aanvragen tot herziening van het vonnis van de Politierechter niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover de aanvrage steunt op gronden die in deze beslissingen ongenoegzaam zijn geoordeeld, kan zij reeds daarom niet worden ontvangen. Voor het overige behelst het in de aanvrage en in de aanvullende brieven gestelde niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 13 september 2005.