ECLI:NL:HR:2005:AU3157

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbAlgemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof inzake tijdige indiening bezwaarschrift inkomstenbelasting 1999

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werd gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep gegrond verklaarde en het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze uitspraak, maar het Hof verklaarde het verzet ongegrond.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof niet heeft vastgesteld of en wanneer het bezwaarschrift bij het onbevoegde orgaan is binnengekomen en of het daarna is doorgezonden naar het bevoegde orgaan. Dit is essentieel voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar op grond van artikel 6:15, lid 3, Awb (tot 1 april 2002).

Omdat het Hof dit onderzoek niet heeft verricht, kan het oordeel dat het bezwaar te laat was ingediend niet in stand blijven. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het arrest van het Hof, verklaart het verzet gegrond en gelast het Hof het onderzoek voort te zetten in de stand waarin het zich bevond. Tevens wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en gelast het onderzoek voort te zetten vanwege onvoldoende vaststelling van ontvangst bezwaarschrift.

Uitspraak

Nr. 39.896
23 september 2005
AZ
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 april 2003, nr. 02/01520, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van het Hof betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 28.182, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij uitspraak van 1 november 2002 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. Het Hof heeft bij zijn in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Daarop kan geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de klachten en ambtshalve
3.1. Het Hof heeft bij uitspraak van 1 november 2002 onbestreden vastgesteld dat de bezwaartermijn eindigde op 23 januari 2002 en heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. In haar verzetschrift tegen deze uitspraak heeft belanghebbende gesteld dat het bezwaarschrift wel tijdig is ingediend. Bij dit verzetschrift heeft belanghebbende een kopie overgelegd van een pro-forma bezwaarschrift met dagtekening 14 januari 2002. In de in cassatie bestreden uitspraak op het verzet heeft het Hof dienaangaande vastgesteld dat dit geschrift geadresseerd is aan een onjuist postadres, te weten aan het adres van de Belastingdienst Ondernemingen Q (in plaats van aan het adres van de - bevoegde - Belastingdienst Particulieren P).
3.2. In de gevallen genoemd in artikel 6:15, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (tekst tot 1 april 2002; hierna: Awb) is het tijdstip van indiening van het bezwaarschrift bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Indien zich niet een van de in artikel 6:15, lid 3, Awb genoemde gevallen voordoet, moet het geschrift geacht worden te zijn ingediend bij het bevoegde orgaan twee weken na binnenkomst bij het onbevoegde orgaan (HR 8 december 1999, nr. 33594, BNB 2000/38), tenzij het geschrift eerder is ingekomen bij het bevoegde orgaan.
3.3. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt evenwel niet of, en zo ja op welk tijdstip, het bezwaarschrift is ingekomen bij de Belastingdienst Ondernemingen Q, en eventueel na doorzending is ingekomen bij de Belastingdienst Particulieren P. Nu het hier, zoals volgt uit het hiervoor in 3.2 overwogene, voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van belang zijnde feiten betreft, kan niet zonder nader onderzoek daarnaar worden beslist of de bezwaartermijn al of niet is overschreden. Het Hof heeft zulks miskend; zijn uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Gelet op het vorenoverwogene heeft het Hof bij de uitspraak waarvan verzet ten onrechte geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is om reden dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn zou zijn ingediend. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Over de kosten van het verzet bij het Hof dient het Hof te beslissen bij de uitspraak op het beroep.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verklaart het verzet gegrond,
verstaat dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan, vervalt en dat het Hof het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2005.