ECLI:NL:HR:2005:AU0869

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38299
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over bewijslast en betaling facturen in vennootschapsbelastingzaak

In deze zaak is aan belanghebbende voor het jaar 1995 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, die na bezwaar door de Inspecteur werd verminderd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag verder verminderde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.

Het middel in cassatie betrof onder meer de stelling dat het Hof zijn oordeel baseerde op vermoedens omtrent contante betaling van facturen zonder voldoende feitelijke grondslag en dat belanghebbende onvoldoende gelegenheid had gekregen om tegenbewijs te leveren. De Hoge Raad oordeelde dat de vraag over de contante betaling tussen partijen aan de orde was geweest en dat het aan belanghebbende was om tegenbewijs aan te dragen, wat zij niet had gedaan.

Verder werd geoordeeld dat het Hof de bewijslast correct had verdeeld en dat het oordeel van het Hof dat de Inspecteur de omzet- en winstcorrectie aannemelijk had gemaakt, niet onjuist was. De overige middelen werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof over de bewijslast en betaling van facturen.

Uitspraak

Nr. 38.299
12 augustus 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 februari 2002, nr. BK-00/02346, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 206.662.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 186.205. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda.
3. Beoordeling van de middelen
Middel II voert aan dat het Hof in rechtsoverweging 6.2 zijn uitspraak heeft doen steunen op vermoedens dat de betaling van de facturen zonder aantekening per kas zou zijn geschied, terwijl die vermoedens enerzijds blijkens de gedingstukken feitelijke grondslag missen, en anderzijds belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid is gesteld deze te weerleggen.
Voorzover het middel erover klaagt dat belanghebbende eerst bij het bekend worden met de uitspraak van het Hof is geconfronteerd met het oordeel van het Hof dat de Inspecteur, gezien de genomen steekproef met de facturen en de verklaring van C, ervan mocht uitgaan dat de facturen zonder aantekening per kas zijn betaald, en dat belanghebbende ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld tegenbewijs te leveren, faalt het. In de procedure voor het Hof is de vraag of de bedragen van de desbetreffende facturen contant waren ontvangen, uitdrukkelijk tussen partijen aan de orde geweest. Indien belanghebbende harerzijds beschikbaar tegenbewijsmateriaal had willen laten meewegen, zou het op haar weg hebben gelegen dat materiaal te presenteren dan wel te dier zake een bewijsaanbod te doen (vgl. HR 17 december 2004, nr. 38831, BNB 2005/152). Zij heeft het een noch het ander gedaan. Het middel faalt ook voorzover het de klacht bevat dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld. In 's Hofs bestreden oordeel ligt besloten het oordeel dat het Hof de betalingen per kas aannemelijk gemaakt heeft geacht en dat hetgeen belanghebbende te dier zake te berde heeft gebracht aan dat oordeel niet in de weg stond. Aldus heeft het Hof niet miskend dat de bewijslast ter zake van de omzet- en winstcorrectie ten bedrage van ƒ 86.533 op de Inspecteur rustte.
De overige klachten van het middel, alsmede de middelen I en III, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze klachten en middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2005.