ECLI:NL:HR:2005:AU0864
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing optieverzoek omzetbelasting na inwerkingtreding Wet bestrijding constructies onroerende zaken
Belanghebbende heeft op 30 mei 1996 samen met de Gemeenschappelijke Regeling Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst R een verzoek ingediend bij de Inspecteur om toepassing van artikel 11, lid 1, letter b, aanhef en onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Dit optieverzoek werd door de Inspecteur bij beschikking van 17 december 1998 afgewezen en na bezwaar gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de afwijzing bevestigde.
In cassatie betoogde belanghebbende dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel toepassing behoorde te vinden omdat de verhuur van het kantoorpand aan de GGD en gemeente Q plaatsvond na de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 1995 (Wet bestrijding constructies onroerende zaken). De Hoge Raad oordeelde dat het beroep op dit beginsel terecht door het Hof was afgewezen, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004.
De Hoge Raad stelde vast dat het optieverzoek betrekking had op verhuur die na 18 december 1995 was ingegaan, waardoor de nieuwe wettelijke regeling van toepassing was. Het feit dat er vóór 31 maart 1995 geen voornemen bestond om het pand met toepassing van de optieregeling te verhuren, maakte het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet gegrond.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de afwijzing van het optieverzoek in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het optieverzoek omzetbelasting bevestigd.