ECLI:NL:HR:2005:AT9071
Hoge Raad
- Herziening
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden
De aanvrager was veroordeeld door de Rechtbank Maastricht tot drie jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Tegen dit vonnis werd een verzoek tot herziening ingediend bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat een herzieningsverzoek alleen ontvankelijk is indien het gebaseerd is op nieuwe, bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekende omstandigheden die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst zou leiden.
De Hoge Raad constateerde dat het verzoek geen dergelijke nieuwe omstandigheden bevatte en dat de aanvrage daarom niet voldeed aan de wettelijke eisen. Gevolg was dat het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, en uitgesproken op 28 juni 2005.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden.