ECLI:NL:HR:2005:AT8314
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip geld in strafbaarstelling witwassen in Nederlandse Antillen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarin verdachte werd veroordeeld voor het uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geld voordeel trekken, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld door misdrijf was verkregen. Het Hof had vastgesteld dat een stichting met verdachte als voorzitter een perceel grond had gekocht met geld dat deels bestond uit steekpenningen.
De Hoge Raad heeft het begrip 'geld' in artikel 3, tweede lid, van de Landsverordening strafbaarstelling witwassen van geld uitgelegd als hetgeen volgens het algemene spraakgebruik onder geld wordt verstaan. Dit sluit niet uit dat geld onder omstandigheden ook kan vallen onder 'geldswaardige papieren' of 'vorderingen', zoals genoemd in dezelfde bepaling. Deze uitleg sluit aan bij de bedoeling van de wetgever om witwassen effectief te bestrijden, ongeacht de verschijningsvorm van de gelden.
Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden en geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat verdachte redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het geld afkomstig was van misdrijf en dat hij daarmee niet zonder nader onderzoek mocht handelen.
De uitspraak benadrukt het belang van een ruime en effectieve interpretatie van het begrip geld binnen de strafbaarstelling van witwassen in de Nederlandse Antillen, in lijn met internationale verdragsverplichtingen en de doelstellingen van de wetgever.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het vonnis van het Hof wordt bevestigd.