ECLI:NL:HR:2005:AT8244

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/273HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over aanspraak werknemer op suppletie AAW/WAO-uitkering en goed werkgeverschap

De werknemer vorderde van zijn werkgever een suppletiebetaling ter compensatie van het verschil tussen zijn AAW/WAO-uitkering en het eerdere loon, met toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid en toetsing aan goed werkgeverschap zoals bedoeld in art. 7:611 BW Pro.

De kantonrechter wees de vordering grotendeels af, behalve de verplichting tot het verstrekken van een betalingsspecificatie. Het gerechtshof bekrachtigde dit vonnis. De werknemer stelde daarop cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leidden. Het beroep werd verworpen en de werknemer werd veroordeeld in de kosten van het geding.

Deze uitspraak bevestigt de strikte toetsing aan het goed werkgeverschap en het belang van objectieve rechtvaardigingsgronden bij aanspraken op suppletie van uitkeringen en benadrukt dat niet elke vordering tot aanvulling van uitkeringen zonder meer toewijsbaar is.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en de vordering tot suppletie afgewezen.

Uitspraak

21 oktober 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/273HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 27 september 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad terzake en ten titel als in het lichaam van de dagvaarding vermeld, [verweerster] te veroordelen tot:
- overlegging van een betalingsspecificatie waaruit het bruto equivalent van het aan [eiser] betaalde onder punt 19 van de dagvaarding genoemde bedrag van ƒ 15.623,34 netto kan worden afgeleid, en
- betaling aan [eiser] van een bedrag van ƒ 38.584,97 (€ 17.509,10), te vermeerderen met de maximaal ingevolge de wet toegestane verhoging van 50% over het achterstallig salaris op de voet van het bepaalde in art. 7:625 BW Pro, te vermeerderen met het verschil tussen ƒ 15.623,34 (€ 7.089,56) netto en het bruto equivalent daarvan, te vermeerderen tevens met de wettelijke rente over het totaal van voormelde bedragen vanaf 1 oktober 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 30 augustus 2002 [verweerster] veroordeeld om aan [eiser] te verstrekken een specificatie waaruit het bruto equivalent van het aan [eiser] betaalde bedrag van ƒ 15.623,34 netto kan worden afgeleid, [verweerster] veroordeeld in de proceskosten, het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het vonnis van de kantonrechter heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 29 april 2004 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerster] mede door mr. M.B. Kerkhof, advocaat bij de Hoge Raad
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 173,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 oktober 2005.