ECLI:NL:HR:2005:AT8188

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40857
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet IB 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieWet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens motiveringsgebrek over vervangingsvoornemen in vennootschapsbelastingzaak

Belanghebbende, een vennootschap uit België, kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het hof, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof het vervangingsvoornemen van belanghebbende, onderdeel van een onroerendgoedconcern dat volgens haar stelselmatig aan haar vervangingsverplichting voldoet. Het hof oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat de directie van belanghebbende dit voornemen had, en baseerde zich vooral op aanwijzingen vanuit de aandeelhouderssfeer.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat het belang van het behoren tot een onroerendgoedconcern bij de beoordeling van het vervangingsvoornemen niet was meegenomen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nadere behandeling en beslissing.

De Hoge Raad veroordeelde tevens de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalde dat de Staat het griffierecht aan belanghebbende moest vergoeden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens motiveringsgebrek en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 40.857
24 juni 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 maart 2004, nr. P03/02209, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.497.243, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.1. Voor het Hof heeft belanghebbende zich erop beroepen dat zij onderdeel is van het D-concern, een onroerendgoedconcern, en dit concern, zoals zij dat stelt, stelselmatig aan haar vervangingsverplichting voldoet. Het Hof heeft geoordeeld dat het hier gaat om aanwijzingen die zijn gelegen in de sfeer van de aandeelhouder van belanghebbende, en dat dan ook niets is komen vast te staan over het voornemen van de directie van belanghebbende.
3.1.2. Middel 1 klaagt onder meer over de motivering van 's Hofs oordeel dat belanghebbende haar vervangingsvoornemen niet aannemelijk heeft gemaakt. Het middel slaagt. Het feit dat, naar niet in geschil is, belanghebbende behoort tot een concern dat zich bezighoudt met de aan- en verkoop alsmede de exploitatie van onroerende zaken, kan immers van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van een vervangingsvoornemen. Het hiervoor onder 3.1.1 weergegeven oordeel van het Hof behoefde derhalve nadere motivering, welke echter ontbreekt.
3.2. Voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3. Gelet op het hiervoor onder 3.1.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 409,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2005.