ECLI:NL:HR:2005:AT8044

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03021/04 U-II
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
  • J. de Hullu
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid van uitlevering aan Turkije voor betrokkenheid bij de handel in ecstasypillen

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 21 juni 2005 uitspraak gedaan over de toelaatbaarheid van de uitlevering van een persoon aan de Republiek Turkije. De uitlevering is aangevraagd in verband met de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de invoer en/of de handel in ecstasypillen. De Hoge Raad oordeelt dat de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd, zowel onder de Turkse wetgeving als onder het Nederlandse recht strafbaar zijn, en dat er voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De Hoge Raad heeft de argumenten van de verdediging, die stelden dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, verworpen. Deze argumenten omvatten onder andere de stelling dat de overgelegde stukken niet voldeden aan de wettelijke vereisten en dat er sprake zou zijn van schending van het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Hoge Raad concludeert dat de door de verzoekende Staat overgelegde stukken voldoen aan de vereisten en dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de uitlevering in de weg staan. De Hoge Raad verklaart de uitlevering toelaatbaar, met uitzondering van de productie van verdovende middelen, waarvoor de uitlevering eerder al ontoelaatbaar was verklaard. De uitspraak is gedaan in aanwezigheid van de vice-president en vier raadsheren, en is gepubliceerd in de rechtspraak.

Uitspraak

21 juni 2005
Strafkamer
nr. 03021/04 U-II
AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
inzake het verzoek tot uitlevering aan de Republiek Turkije van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].
1. De procesgang
1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 5 april 2005. In dat arrest is de uitspraak van de Rechtbank te Breda van 8 september 2004 vernietigd voorzover daarbij de verzochte uitlevering toelaatbaar was verklaard. Voorts is in dat arrest bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.
1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 31 mei 2005 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft aldaar een schriftelijke samenvatting van zijn opvatting omtrent het verzoek tot uitlevering overgelegd. Deze houdt in dat de uitlevering toelaatbaar is.
2. Het verzoek tot uitlevering
Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij schrijven van 1 maart 2004 van de ambassade van de Republiek Turkije te 's-Gravenhage. Bij het verzoek zijn overgelegd:
a. een schrijven van M. Erdem Yandimata, rechter in de Rechtbank voor de Staatsveiligheid te Izmir, van 26 januari 2004, behelzende onder meer een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd;
b. een akte tot inbeschuldigingstelling van 31 december 2003, van de opgeëiste persoon, uitgevaardigd door I. Görür, Officier van Justitie bij voornoemde rechtbank;
c. een bevel tot aanhouding bij verstek, van 24 november 2003, uitgevaardigd door de Rechtbank te Antalya.
d. een overzicht van de toepasselijke Turkse wetsbepalingen.
3. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering
3.1. Op het verzoek zijn van toepassing het Europees Verdrag betreffende uitlevering (EUV), alsmede het daarbij behorende Tweede Aanvullend Protocol.
3.2. De persoon die is gehoord ter zitting van de Hoge Raad, heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit.
3.3. Het verzoek strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van de feiten die zijn omschreven in de hiervoor onder 2 sub a en b genoemde stukken. In aanmerking genomen dat de Rechtbank de verzochte uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard wat betreft de productie van verdovende middelen en dat het door de opgeëiste persoon ingestelde cassatieberoep niet was gericht tegen die partiële ontoelaatbaarverklaring, heeft de Hoge Raad thans nog slechts te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging ter zake van - kort gezegd - zijn betrokkenheid bij de invoer en/of de handel in ecstasypillen.
3.4.1. De raadsman heeft aangevoerd dat de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard op de grond dat
a. de door de verzoekende Staat overgelegde stukken niet voldoen aan de vereisten van art. 5, eerste lid aanhef en onder a, UW in verbinding met art. 18, derde lid aanhef en onder b, UW;
b. in strijd met art. 18, eerste lid aanhef en onder a, UW niet het origineel of een authentiek afschrift is overgelegd van het bevel tot aanhouding;
c. art. 6 EVRM is geschonden nu het verzoek tot uitlevering is gebaseerd op de verklaring van één getuige;
d. sprake is van een flagrante schending van art. 6 EVRM doordat door of onder verantwoordelijkheid van de justitiële autoriteiten van de verzoekende Staat een of meer uitlokkingshandelingen zijn verricht;
e. de door de verzoekende Staat naar aanleiding van het arrest van 5 april 2005 overgelegde rapporten inzake de samenstelling van de onderhavige ecstasypillen, buiten beschouwing moeten blijven nu deze niet door een beëdigd vertaler in het Nederlands zijn vertaald, terwijl ze niet zijn binnengekomen binnen de door de Advocaat-Generaal op de voet van art. 19, tweede lid, UW gestelde termijn.
3.4.2. De onder a tot en met d vermelde verweren zijn in de vorm van cassatiemiddelen reeds naar voren gebracht in de cassatieprocedure en in voormeld arrest van 5 april 2005 met toepassing van art. 81 RO verworpen.
Geen der verweren snijdt hout, reeds omdat:
ad a en b: de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, waaronder het origineel van het bevel tot aanhouding, voldoen aan de vereisten van het te dezen toepasselijke art. 12 EUV;
ad c: art. 6 EVRM niet van toepassing is bij het onderzoek naar de toelaatbaarheid der uitlevering, nu dat
onderzoek niet strekt tot het bepalen van de gegrondheid van de tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging;
ad d: deze - summier onderbouwde en niet gestaafde - stelling niet aannemelijk is geworden;
ad e: het aangevoerde geen grond oplevert waarop de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard.
3.5. De hiervoor aangeduide feiten, te weten betrokkenheid bij de invoer en/of de handel in ecstasypillen, waarvoor de uitlevering is gevraagd, kunnen krachtens de wetten van de verzoekende Staat worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste zes maanden.
Naar Nederlands recht zijn deze feiten als misdrijf strafbaar gesteld bij art. 2 Opiumwet in verbinding met art. 10 van die wet en art. 47 Sr. Deze feiten kunnen naar Nederlands recht worden bestraft met een gevangenisstraf met een maximum van ten minste zes maanden.
Aan het vereiste inzake de dubbele strafbaarheid is dus voldaan.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, voorzover thans nog aan de orde, dient - onder vermelding van de art. 2 en 12 EUV als te dezen mede toepasselijke verdragsbepalingen - als volgt te worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart toelaatbaar de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije ter strafvervolging voor de feiten zoals omschreven in de hiervoor onder 2 sub a, b en c vermelde stukken, behoudens wat betreft de productie van verdovende middelen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 juni 2005.