ECLI:NL:HR:2005:AT8044
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering aan Turkije wegens betrokkenheid bij invoer en handel in ecstasypillen
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Turkije wegens betrokkenheid bij de invoer en handel in ecstasypillen. Het verzoek werd ingediend op 1 maart 2004 en ondersteund met diverse stukken, waaronder een akte tot inbeschuldigingstelling en een bevel tot aanhouding.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder dat de overgelegde stukken niet aan de wettelijke vereisten voldeden, dat het bevel tot aanhouding niet origineel was, en dat het verzoek gebaseerd was op de verklaring van slechts één getuige, wat volgens hen in strijd was met art. 6 EVRM Pro. Ook werd gesteld dat er sprake was van uitlokking en dat bepaalde rapporten buiten beschouwing moesten blijven vanwege het ontbreken van een beëdigde vertaling.
De Hoge Raad verwierp deze verweren, verwijzend naar eerdere uitspraken en oordeelde dat de stukken wel aan de vereisten voldeden, dat art. 6 EVRM Pro niet van toepassing is op de toelaatbaarheidsbeoordeling van uitleveringsverzoeken, en dat de stellingen omtrent uitlokking niet aannemelijk waren gemaakt. Tevens werd bevestigd dat de feiten waarvoor uitlevering werd gevraagd, zowel onder Turks als Nederlands recht strafbaar zijn en voldoen aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
De Hoge Raad verklaarde de uitlevering toelaatbaar, behoudens voor de productie van verdovende middelen, en bepaalde dat de opgeëiste persoon zal worden uitgeleverd aan Turkije ter vervolging van de betrokkenheid bij invoer en handel in ecstasypillen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar voor betrokkenheid bij invoer en handel in ecstasypillen.