ECLI:NL:HR:2005:AT7940

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00931/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken bewijsmiddelen

De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand wegens het opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten als echte. De aanvrage tot herziening richtte zich op nieuwe omstandigheden die niet tijdens het oorspronkelijke onderzoek aan de orde waren gekomen, namelijk dat de aanvrager de valse biljetten had ontvangen van twee onbekende personen die hij niet had kunnen verhoren.

De Hoge Raad beoordeelde dat de aanvrage niet voldeed aan de vereisten van artikel 459 Sv Pro, omdat zij geen opgave bevatte van bewijsmiddelen die de nieuwe omstandigheden konden staven. Zonder deze bewijsmiddelen kon het verzoek niet in behandeling worden genomen.

Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvrage niet-ontvankelijk. Het arrest bevestigt het belang van het aanleveren van concrete bewijsmiddelen bij een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van bewijsmiddelen.

Uitspraak

14 juni 2005
Strafkamer
nr. 00931/05 H
AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Roermond van 18 augustus 1997, nummer 04/051158-97, ingediend door mr. J. Ruijs, advocaat te Helmond, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de indiening van de aanvrage wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. In de aanvrage wordt allereerst aangevoerd dat de zaak niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien bekend was geweest dat de aanvrager de valse Duitse bankbiljetten heeft ontvangen van twee hem onbekende personen, op wier verzoek hij Nederlandse bankbiljetten wisselde tegen de Duitse bankbiljetten. Voorts wordt in de aanvrage gesteld dat in het betreffende proces-verbaal geen verhoor van deze personen is te vinden, terwijl hun verklaringen zeer wel ontlastend zouden kunnen zijn.
3.4. De aanvrage bevat geen opgave van bewijsmiddelen waaruit van de daarin genoemde omstandigheden kan blijken. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 juni 2005.