ECLI:NL:HR:2005:AT4646

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02837/04 H en 02853/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken einduitspraak en onvoldoende bewijs

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van twee vonnissen van de Politierechter te Rotterdam en een met transactie afgedane zaak. De aanvrager was in 2000 en 2003 veroordeeld voor diefstal en had tevens een transactie betaald voor een soortgelijke zaak.

De Hoge Raad oordeelde dat herziening van een met transactie afgedane zaak niet mogelijk is omdat dit geen einduitspraak met veroordeling betreft zoals vereist in art. 457 Sv Pro. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat de aanvrage onvoldoende bewijsmiddelen bevatte om te staven dat een ander dan de aanvrager de feiten had gepleegd, ondanks dat dit als omstandigheid was aangevoerd.

Op grond van deze motieven verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk. Hiermee werd bevestigd dat alleen aanvragen die voldoen aan strikte wettelijke voorwaarden en voldoende onderbouwd zijn, ontvankelijk kunnen worden verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een einduitspraak en onvoldoende bewijs.

Uitspraak

19 april 2005
Strafkamer
nrs. 02837/04 H en 02853/04 H
JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 9 mei 2000, nummer 10/042360-00, alsmede van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 15 mei 2003, nummer 10/092313-02 en voorts van een met een transactie afgedane zaak, nummer PL1719 137586-99, ingediend door mr. N.A.P. Heesterbeek, advocaat te Helmond, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager bij vonnis van 9 mei 2000 ter zake van "diefstal" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 360,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, en bij vonnis van 15 mei 2003 ter zake van "diefstal" tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van vijftien uren, subsidiair zeven dagen hechtenis. Voorts is op naam van de aanvrager een transactievoorstel ter zake van diefstal voor een bedrag van ƒ 240,- betaald.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. De aanvrage zal voorzover deze de met een transactie afgedane zaak betreft niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat geen sprake is van een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve in zoverre niet worden ontvangen.
3.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.3. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.4. In de aanvrage is als omstandigheid aangevoerd dat niet de aanvrager maar een ander de bewezenverklaarde feiten heeft begaan en dat deze telkens bij zijn aanhouding tegenover de politie de personalia van de aanvrager heeft opgegeven. De aanvrage bevat evenwel niet een genoegzame opgave van bewijsmiddelen ter staving van die omstandigheid. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, in zoverre evenmin worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 april 2005.