ECLI:NL:HR:2005:AT4489
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over bewijsverplichting bij afhaalleveringen intracommunautaire omzetbelasting
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor de omzetbelasting over 1996 wegens het niet aantonen van het vervoer van goederen naar een andere lidstaat. De Inspecteur handhaafde de aanslag en de verhoging, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde de uitspraak en verminderde de aanslag, maar stelde dat de Inspecteur niet verplicht was om inlichtingen bij andere lidstaten in te winnen.
Belanghebbende stelde dat de Inspecteur wel actief bewijs moest verzamelen, mede op grond van de Richtlijn wederzijdse bijstand en de Verordening administratieve samenwerking. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van artikel 28 quater Pro, A, van de Zesde richtlijn in samenhang met genoemde Europese regelgeving.
De kernvraag is of de lidstaat van vertrek verplicht is om, bij gebrek aan bewijs van vervoer naar een andere lidstaat, gegevens op te vragen bij de lidstaat van aankomst en deze gegevens mee te wegen in het onderzoek naar de toepasselijkheid van het nultarief. De Hoge Raad schorst het geding en wacht de uitspraak van het Hof van Justitie af.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de bewijslast bij intracommunautaire afhaalleveringen.