ECLI:NL:HR:2005:AT4193

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00360/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsverzoek inzake veroordeling medeplegen discriminatie

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem en een arrest van de Hoge Raad zelf. De veroordeling betrof medeplegen van het in het openbaar mondeling aanzetten tot discriminatie wegens ras, waarvoor de veroordeelde een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete kreeg opgelegd.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk is. Dit omdat het beroep tegen het arrest van de Hoge Raad geen einduitspraak is in de zin van artikel 457 Sv Pro, en het verzoek tegen het arrest van het Hof steunt op dezelfde gronden als eerdere herzieningsverzoeken die reeds als onvoldoende zijn beoordeeld. Er zijn geen nieuwe omstandigheden aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.

De Hoge Raad verklaart daarom het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de eerdere veroordeling en uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

12 april 2005
Strafkamer
nr. 00360/05 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van a. een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 december 1997, nummer 21/000944-97, en b. een arrest van de Hoge Raad, nummer 108.960 van 18 mei 1999, ingediend door mr. L. van Heijningen, advocaat te 's-Gravenhage namens:
[Aanvraagster], wonende te [woonplaats], weduwe van [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, overleden te 's-Gravenhage op 9 juni 2002, inzake een tegen deze uitgesproken, hierna te vermelden, veroordeling.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 28 maart 1997 - [betrokkene 1] ter zake van 1. "het medeplegen van het in het openbaar, mondeling, aanzetten tot discriminatie van mensen wegens hun ras" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van ƒ 7.500,-, subsidiair zeventig dagen hechtenis.
1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 mei 1999, nummer 108.960, het tegen het arrest van het Hof ingestelde beroep in cassatie verworpen.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Voorzover in de aanvrage is verzocht om "voorzover nodig en mogelijk" herziening van het arrest van de Hoge Raad, kan de aanvrage niet worden ontvangen, omdat dit arrest niet is een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv.
3.2. Voorzover de aanvrage het arrest van het Gerechtshof te Arnhem betreft, kan de aanvrage niet worden ontvangen omdat deze steunt op naar hun aard dezelfde gronden die reeds bij de beoordeling van eerdere aanvragen tot herziening - te weten bij de arresten van de Hoge Raad van 9 april 2002 (nr. 02676/01 H), van 6 mei 2003 (nr. 2722/02 H) en van 23 september 2003 (nr. 01343/03 H) - ongenoegzaam zijn geoordeeld omdat deze geen nieuwe omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2° Sv opleveren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 april 2005.