ECLI:NL:HR:2005:AT3215

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00517/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. van Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te 's-Gravenhage, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. De aanvrage tot herziening werd ingediend op grond van vermeende nieuwe omstandigheden.

De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, die voorschrijven dat herziening slechts mogelijk is bij nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf zou hebben geleid.

De aangevoerde omstandigheid betrof een verslechtering van de financiële positie van de aanvrager, hetgeen niet kwalificeert als een nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 457 Sv Pro. Daarom kon de aanvrage niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad het verzoek niet-ontvankelijk.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 29 maart 2005.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

29 maart 2005
Strafkamer
nr. 00517/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 10 november 2000, nummer 09/091748-00 en 09/091905-00, ingediend door mr. J. van Broekhuijze advocaat te Ridderkerk, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvraagster ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 1.600,-subsidiair 31 dagen hechtenis, waarvan zeshonderd gulden, subsidiair twaalf dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 slechts Pro dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld, nu het aangevoerde, daarop neerkomend dat de financiële positie van de aanvraagster aanzienlijk is verslechterd, geen omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2º, Sv oplevert. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. van Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 maart 2005.