ECLI:NL:HR:2005:AT3038
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt activatie declarabele vorderingen in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 1999 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met een belastbaar bedrag van ƒ 3.375.090. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie behandeld en beoordeeld of de door belanghebbende verrichte declarabele vorderingen, zowel uit ambtelijke als niet-ambtelijke werkzaamheden, terecht geactiveerd zijn voor de winstbepaling. Het Hof oordeelde dat deze vorderingen inderdaad geactiveerd moeten worden. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting in dit oordeel en bevestigde dat waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet kunnen worden getoetst.
De middelen van belanghebbende faalden, en de Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd op 1 april 2005 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat declarabele vorderingen geactiveerd moeten worden, wordt bevestigd.