ECLI:NL:HR:2005:AT2828

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/159HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering en bekrachtigt hofuitspraak in civiele geldvordering

Eiser heeft verweerster gedagvaard voor betaling van een geldbedrag vermeerderd met wettelijke rente. Verweerster heeft de vordering bestreden en een tegenvordering ingesteld. De rechtbank wees de vordering van eiser af en veroordeelde eiser tot betaling van een bedrag aan verweerster. Eiser stelde hoger beroep in, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank zowel in conventie als in reconventie bekrachtigde.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren.

Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het arrest van het hof ongewijzigd van kracht, waarmee de vorderingen van eiser zijn afgewezen en de reconventionele veroordeling gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

15 april 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/159HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 10 februari 1993 verweerster in cassatie - verder te noemen: HB - gedagvaard voor de rechtbank te Dordrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, HB te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 77.445,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 1992 tot de dag der voldoening.
Na het opwerpen van een thans niet meer terzake dienend bevoegdheidsincident heeft HB de vordering bestreden en van haar kant in reconventie gevorderd [eiser] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 3.155,83 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 dagen na de factuurdata en vermeerderd met een bedrag van ƒ 5.000,-- aan pre-processuele kosten.
[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 19 augustus 1998 in conventie de vordering afgewezen en in reconventie [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 1.486,33, te vermeerderen met 1% per maand rente daarover vanaf 22 mei 1991, alsmede tot betaling van een bedrag van ƒ 1.669,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 1993, [eiser] zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten van HB veroordeeld en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft hij zijn vordering verminderd tot een bedrag van ƒ 74.673,--.
Bij tussenarrest van 19 juni 2001 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en bij eindarrest van 27 januari 2004 het bestreden vonnis zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd.
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
HB heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding
in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HB begroot op € 1.060,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 15 april 2005.