ECLI:NL:HR:2005:AT1089
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Vaststelling benadeling faillissementsschuldeisers door aanvullende zekerheidstelling bank
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de aanvullende zekerheidstelling door [A] B.V. aan ABN AMRO Bank N.V. heeft geleid tot benadeling van andere faillissementsschuldeisers. De curator van het faillissement van [A] B.V. vorderde dat de bank aansprakelijk werd gesteld wegens vermeende benadeling.
Het hof Arnhem oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de zekerheidstelling tot benadeling had geleid, omdat de curator niet had aangetoond welke schuldeisers na 5 november 1993 ten laste van het rekening-courantkrediet waren voldaan en dat daardoor andere schuldeisers waren benadeeld. De bank had het krediet verhoogd onder voorwaarde van aanvullende zekerheid, en de curator kon niet aantonen dat deze zekerheidstelling nadelig was voor de overige schuldeisers.
De Hoge Raad stelde echter dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd. De verschuiving van concurrente schuldeisers naar een preferente positie van de bank brengt op zichzelf al nadeel mee voor de overige schuldeisers, ongeacht het bedrag waarvoor schuldeisers dankzij de kredietverhoging zijn voldaan. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad veroordeelde tevens de bank in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2005.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem en verwijst de zaak naar het gerechtshof Leeuwarden voor verdere behandeling.