ECLI:NL:HR:2005:AS8624
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Verrekening stallingswinst onder het belastingverdrag Nederland-Zwitserland
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd zonder rekening te houden met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de uitspraak van de Inspecteur, waarbij de aanslag werd verminderd tot nihil.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof, terwijl belanghebbende een incidenteel beroep in cassatie instelde. De Hoge Raad oordeelde dat het incidentele beroep niet-ontvankelijk was omdat het geen gunstiger resultaat voor belanghebbende kon opleveren. Het principale beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
De kern van het geschil betrof de toepassing van het belastingverdrag Nederland-Zwitserland en de vraag of de regeling ter voorkoming van dubbele belasting, met name artikel 10 lid 2 van Pro het Besluit voorkoming dubbele belasting (BVDB), van toepassing was op de stallingswinst. De Hoge Raad bevestigde dat het Besluit niet de beperking van artikel 10 lid 2 BVDB Pro toepast op onder het verdrag vallende inkomsten, waardoor belanghebbende recht heeft op de aftrek.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en wees de Staat aan als de te vergoeden partij. Het arrest werd uitgesproken op 23 september 2005.
Uitkomst: Het incidentele beroep van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard en het principale beroep van de Staatssecretaris is ongegrond verklaard.