ECLI:NL:HR:2005:AS7199

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00065/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsverzoek wegens ontbreken novum

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de aanvrager werd veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf met terbeschikkingstelling en verpleging. De aanvrager verbleef nog steeds in hechtenis en stelde dat het hof waarschijnlijk geen terbeschikkingstelling had opgelegd indien bekend was geweest dat de Staat deze niet tijdig zou uitvoeren.

De aanvrager voerde tevens aan dat hij geen eerlijk proces had gehad omdat de tenuitvoerlegging van het vonnis integraal onderdeel is van het recht op een eerlijk proces. Deze en andere stellingen werden gepresenteerd als een novum in de zin van art. 457 lid 2 sub Pro 2 Sv.

De Hoge Raad oordeelde dat de aanvrage geen beroep op een novum bevatte zoals bedoeld in art. 457 Sv Pro, aangezien een novum moet bestaan uit nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid.

Daarom werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 15 februari 2005.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een novum.

Uitspraak

15 februari 2005
Strafkamer
nr. 00065/05 H
IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 maart 2004, nummer 23/001538-03, ingediend door mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de indiening van de aanvrage verblijvende in het Huis van Bewaring te Lelystad.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 21 maart 2003 - de aanvrager ter zake van "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren", voorzover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met last tot terbeschikkingstelling en bevel tot verpleging van overheidswege.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. In de aanvrage, die op 12 januari 2005 bij de Hoge Raad is ingekomen, wordt aangevoerd dat voormeld arrest van het Hof "sedert ongeveer 18 maart 2004 onherroepelijk is en verzoeker nog steeds als passant in hechtenis verblijft, zulks nu hij niet geplaatst is in een passende instelling" en dat, ware destijds reeds bekend geweest dat - naar wordt gesteld - de Staat de last tot terbeschikkingstelling (kennelijk) niet, althans niet tijdig, wenste ten uitvoer te leggen, "het Hof zeer vermoedelijk geen terbeschikkingstelling had opgelegd, althans niet opgelegd had een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een terbeschikkingstelling". Voorts wordt in de aanvrage betoogd dat "verzoeker geen eerlijk proces heeft gehad (...) nu de tenuitvoerlegging van een vonnis toch gezien moet worden als een integraal onderdeel van het recht op een eerlijk proces". Aan deze en de overige stellingen van de aanvrage wordt de conclusie verbonden dat sprake is van "een novum als bedoeld in art. 457 lid 2 sub Pro 2 Sv".
3.2. Het in de aanvrage gestelde behelst geen beroep op een novum in de zin van het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro. Als grondslag voor een herziening kunnen krachtens die wetsbepaling immers slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.