ECLI:NL:HR:2005:AS5983

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01792/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 81 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat drogeren met kalmeringsmiddelen geweld oplevert onder art. 312 jo. art. 81 Sr

In deze strafzaak stond het beroep van de verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij was veroordeeld tot achttien jaar gevangenisstraf voor onder meer geweldpleging door drogeren met kalmerings- en slaapmiddelen. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het bewezenverklaarde drogeren geen geweld in de zin van art. 312 jo Pro. art. 81 Sr Pro oplevert en dat niet was vastgesteld dat het slachtoffer in een toestand van bewusteloosheid of onmacht was gebracht.

De Hoge Raad verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en bevestigt dat het hof de term 'drogeren' terecht heeft opgevat als het toedienen van zoveel verdovende middelen dat het slachtoffer in een toestand van onmacht of bewusteloosheid raakt. De middelen van de verdachte falen en het cassatieberoep wordt verworpen.

Het arrest bevestigt daarmee de uitleg van geweld in het strafrecht en onderstreept dat het toedienen van kalmeringsmiddelen met het oogmerk het slachtoffer in onmacht te brengen, onder art. 312 jo Pro. art. 81 Sr Pro valt. De Hoge Raad acht geen reden om het bestreden arrest ambtshalve te vernietigen en handhaaft de strafoplegging door het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot achttien jaar gevangenisstraf wordt bevestigd.

Uitspraak

5 april 2005
Strafkamer
nr. 01792/04
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 december 2003, nummer 22/001749-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord Holland Noord (Amerswiel)" te Heerhugowaard.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 19 februari 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 4, 8 en 9 tenlastegelegde en haar voorts ter zake van 1. (tweede alternatief) "doodslag", 2. "medeplegen van een lijk wegvoeren en wegmaken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen", 3. en 7. "diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, meermalen gepleegd" en 5. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.1. Het eerste middel en het tweede middel houden in dat het onder 3 onderscheidenlijk 7 bewezen verklaarde drogeren van het slachtoffer door het toedienen van een hoeveelheid kalmerings- en/of slaapmiddelen (feit 3) en slaapmiddelen (feit 7) geen "geweld" oplevert in de zin van art. 312 Sr Pro in verbinding met art. 81 Sr Pro. Het derde middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen ter zake van feit 3 niet kan worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer door het toedienen van een hoeveelheid kalmerings- en/of slaapmiddelen in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht heeft gebracht.
3.2. De middelen falen op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 tot en met 15.
4. Beoordeling van het vierde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2005.