Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AS5791

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38805
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende gemotiveerde matiging van verzuimboete door hof in belastingzaak

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, inclusief een boete wegens niet-tijdige aangifte. Na bezwaar handhaafde de inspecteur de aanslag, boete en heffingsrente. Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de boetebeschikking en matigde de boete van ƒ 2500 naar ƒ 800, maar handhaafde de aanslag en heffingsrente.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris gingen in cassatie tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motivering voor de matiging van de boete. Het hof lijkt te veronderstellen dat een verzuimboete nooit hoger mag zijn dan de belasting die wordt geheven, wat onjuist is volgens de wetsgeschiedenis van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond, dat van de Staatssecretaris gegrond, vernietigt het hofarrest voor zover het de boetebeschikking betreft en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de boetebeschikking betreft en de zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam voor nieuwe beoordeling.

Uitspraak

Nr. 38.805
11 februari 2005
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juli 2002, nr. BK-01/02149, betreffende na te melden ten name van belanghebbende vastgestelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1. Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.300, alsmede een boete van ƒ 2500 wegens niet-tijdige aangifte. Aan heffingsrente is ƒ 43 in rekening gebracht. De aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag en de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd en de opgelegde boete verminderd tot ƒ 800 (€ 363,02). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.1. Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld dat belanghebbende de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar en een aantal voorgaande jaren telkens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan, geoordeeld dat de door de Inspecteur vastgestelde boete van ƒ 2500 moet worden gematigd, waarna het de boete heeft vastgesteld op ƒ 800.
4.2. De motivering van evenvermeld oordeel geeft onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Weliswaar staat het de rechter vrij om, indien hij de door een inspecteur in een concreet geval opgelegde boete niet passend en geboden acht in verhouding tot de ernst van het feit, zijn eigen oordeel daaromtrent daarvoor in de plaats te stellen, maar de algemeen luidende formulering van 's Hofs motivering:
Naar het oordeel van het Hof staat een boete tot zulk een bedrag in wanverhouding tot het bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen dat op de aanslag is verschuldigd. Zulks spreekt te meer waar de maximale vergrijpboete in geval van opzettelijke belastingontduiking 100 percent van de nagevorderde belasting bedraagt. Het Hof ziet dan ook reden om de boete te matigen.
laat de mogelijkheid open dat zijn beslissing tot matiging voortvloeit uit de opvatting dat een verzuimboete wegens het niet of niet-tijdig doen van een aangifte nimmer meer mag belopen dan de belasting die naar aanleiding van die aangifte wordt geheven. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijkt dat de wetgever de boete wegens het niet-tijdig doen van aangifte bij aanslagbelastingen niet (langer) heeft willen koppelen aan de nog te betalen belasting, zodat de boete zelfs kan worden opgelegd indien geen belasting verschuldigd is of belasting wordt verrekend of teruggegeven (zie met name Kamerstukken II 1988/1989, 21 058, nr. 3, blz. 9).
's Hofs uitspraak is voor wat de beslissing omtrent de boete betreft aldus niet voldoende met redenen omkleed. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt 's Hofs uitspraak doch alleen voorzover deze de boetebeschikking betreft, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2005.