ECLI:NL:HR:2005:AS4679

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02236/04 A
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314 SvNAArt. 413 SvNAArt. 370 Wetboek van StrafvorderingArt. 410 Wetboek van StrafvorderingArt. 3 lid 1 onder A Opiumlandsverordening 1960
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling ondanks schorsing onderzoek voor onbepaalde tijd in voorlopige hechtenis

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarbij verdachte is veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumlandsverordening 1960.

De verdediging voerde aan dat de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd in strijd was met artikel 314 SvNA Pro en dat dit aanleiding moest geven tot strafverlaging. Het hof stelde vast dat deze schorsing inderdaad een ernstige normschending vormde, omdat de wet slechts schorsing voor bepaalde tijd toestaat, met een maximale termijn van vier maanden onder klemmende redenen.

Desondanks oordeelde het hof dat deze normschending niet tot strafverlaging hoefde te leiden, omdat verdachte hierdoor niet benadeeld was: het onderzoek zou bij tijdige heropening niet eerder zijn afgerond vanwege de lopende rogatoire commissie in Spanje, en de voorlopige hechtenis werd bij de strafuitvoering in mindering gebracht.

De Hoge Raad bevestigde deze overwegingen en verwierp het cassatieberoep. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het ontbreken van een proces-verbaal van de zitting waarop het onderzoek werd geschorst geen zelfstandige normschending opleverde, omdat de termijn voor het opmaken van het proces-verbaal nog niet was verstreken. Het beroep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot negen jaar gevangenisstraf ondanks de normschending door schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd.

Uitspraak

15 maart 2005
Strafkamer
nr. 02236/04 A
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 27 april 2004, nummer H-80/2003, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] (Venezuela) op [geboortedatum] 1969, ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - onder aanvulling van de bewijsvoering en de strafmotivering - bevestigd een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 13 februari 2003, waarbij de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro A van de Opiumlandsverordening 1960" is veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer dat wegens schending van art. 314 SvNA Pro strafverlaging diende te worden toegepast.
4.2.1. Art. 314 SvNA Pro luidt:
"Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch in geen geval van meer dan vier maanden."
4.2.2. Art. 413 SvNA Pro luidt, voorzover hier van belang:
"5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de proces-voering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:
a. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;
b. (...)
c. (...)
6. (...)
7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond."
4.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2004 is namens de verdachte aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel onder 3.1 is weergegeven.
4.3.2. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De verdediging heeft, mede met een beroep op het legaliteitsbeginsel, gesteld dat de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd op 10 juni 2003 een normschending oplevert. Het Hof stelt vast, gelijk het reeds in zijn beslissing van 2 december 2003 heeft gedaan, dat de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd ter zitting van 10 juni 2003 inderdaad een normschending oplevert. Met deze vaststelling kan volstaan worden. Voor verlaging van de hoogte van de straf bestaat geen aanleiding. Weliswaar oordeelt het Hof de schending ernstig omdat het in het belang van verdachte is dat de noodzaak van voortduring van de voorlopige hechtenis periodiek getoetst wordt en de wet om die reden bij gedetineerde verdachten slechts schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor bepaalde, beperkte, tijd kent, maar moet het anderzijds vaststellen dat verdachte als gevolg van de normschending niet benadeeld is. Deze strafzaak zou bij tijdige heropening van het onderzoek ter terechtzitting namelijk niet eerder tot een eind gekomen zijn dan thans omdat dit onderzoek dan wederom geschorst zou zijn in afwachting van de - eerst op 25 februari 2004 bekend geworden - resultaten van een rogatoire commissie in Spanje. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt voorts bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in mindering gebracht.
De verdediging heeft voorts nog aangevoerd dat van de zitting van 10 juni 2003 geen proces-verbaal is opgemaakt. Dat is juist, maar geen schending van enige norm omdat een proces-verbaal, ingevolge artikel 370 juncto Pro 410 Wetboek van Strafvordering dient te zijn opgemaakt uiterlijk binnen tweemaal vierentwintig uur na de uitspraak en die termijn derhalve nog niet is verstreken.
De verdediging heeft ook nog aangevoerd dat in strijd met het in artikel 314 Wetboek Pro van Strafvordering bepaalde de klemmende redenen om het onderzoek ter terechtzitting op 10 juni 2003 langer te schorsen dan voor de duur van twee maanden niet in het proces-verbaal zijn vermeld en dat zulks een normschending oplevert. Onder verwijzing naar de vorige alinea geldt echter dat de uiterste termijn voor het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juni 2003 nog niet is verstreken en van de gestelde schending derhalve thans geen sprake is."
4.4. Het middel klaagt niet over het oordeel van het Hof dat de schorsing voor onbepaalde tijd - wegens strijd met art. 314 SvNA Pro - een ernstige normschending oplevert, maar dat dat niet tot strafverlaging dient te leiden. Blijkens de toelichting komt het middel uitsluitend op tegen hetgeen het Hof in de hiervoor weergegeven twee laatste alinea's heeft overwogen omtrent het ontbreken van een proces-verbaal van de terechtzitting waarop het onderzoek is geschorst met vermelding daarin van de klemmende redenen als bedoeld in art. 314 SvNA Pro.
Aan schending van laatstgenoemde voorschriften komt echter, gegeven de hiervoor genoemde door het Hof vastgestelde normschending, bij de toepassing van art. 413 SvNA Pro geen zelfstandige betekenis toe. Het middel mist dus belang zodat het niet tot cassatie kan leiden.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 15 maart 2005.