ECLI:NL:HR:2005:AS4638
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schending verschoningsrecht bij afluisteren gesprekken verdachte en advocaten
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk was in de vervolging, ondanks dat gesprekken tussen verdachte en haar advocaten waren afgeluisterd en zonder vereiste machtiging aan het dossier waren toegevoegd. Het hof stelde vast dat regels ter bescherming van het verschoningsrecht waren geschonden, maar oordeelde dat deze schendingen niet moedwillig waren en niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM hoefden te leiden. Wel werd de straf verminderd van vier jaar naar drie jaar en zes maanden.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de schending van de regels rond het verschoningsrecht even ernstig is als een directe schending van het verschoningsrecht zelf, maar dat het hof niet hoefde vast te stellen of de gesprekken daadwerkelijk onder het verschoningsrecht vielen. Ook vond de Hoge Raad dat de schending niet leidde tot een schending van artikel 6 EVRM Pro (recht op eerlijk proces), hoewel artikel 8 EVRM Pro (recht op privacy) wel was geschonden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en vernietigde slechts het deel van het vonnis dat de strafoplegging betrof vanwege overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf werd verminderd tot drie jaar en vijf maanden gevangenisstraf.
Uitkomst: De straf werd verminderd tot drie jaar en vijf maanden gevangenisstraf vanwege schendingen van het verschoningsrecht en overschrijding van de redelijke termijn.