ECLI:NL:HR:2005:AS3252

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02855/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden

De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een vonnis van de Rechtbank te Assen, waarin de aanvrager is veroordeeld voor meerdere diefstallen en pogingen daartoe, gecombineerd met bedreiging met geweld, en veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.

De Hoge Raad beoordeelt of de aanvrage voldoet aan de wettelijke vereisten voor herziening, zoals neergelegd in artikel 457 Sv Pro en volgende. Deze vereisen dat de aanvrage nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden bevat die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek anders zou zijn verlopen, bijvoorbeeld met vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging tot gevolg.

De Hoge Raad constateert dat de aanvrage geen dergelijke nieuwe omstandigheden bevat en daarom niet kan worden ontvangen. De aanvrage voldoet niet aan de eisen van artikel 459 Sv Pro, die voorschrijven dat de omstandigheid waarop de aanvrage steunt duidelijk moet worden omschreven en onderbouwd met bewijsmiddelen.

Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvrage niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de eerdere veroordeling en opgelegde straf. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 11 januari 2005.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe, met bewijsmiddelen onderbouwde omstandigheden.

Uitspraak

11 januari 2005
Strafkamer
nr. 02855/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Assen, van 19 november 2003, nummer 19/830183-03, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, ten tijde van de indiening van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen" te Veenhuizen.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken", 2. "poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken", 3. "diefstal", 4. "poging tot diefstal" en 5. "diefstal" veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het vonnis vermeld en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 11 januari 2005.