ECLI:NL:HR:2005:AS2757
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt medeplegen afpersing wegens onvoldoende motivering en bevestigt overgangsrecht tapmachtigingen
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van poging tot afpersing en afpersing, gepleegd samen met anderen. Het hof veroordeelde hem tot bijna vier jaar gevangenisstraf. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de verlengde tapmachtigingen voor telefoontaps onrechtmatig waren verleend en dat het bewijs voor medeplegen onvoldoende was gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van het overgangsrecht van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) verlengingen van vóór de inwerkingtreding van die wet verleende tapmachtigingen ook na de inwerkingtreding volgens het oude regime (art. 125f en 125g Sv) moeten worden beoordeeld. Daarmee verwierp de Hoge Raad het verweer dat de tapmachtigingen onrechtmatig waren verlengd.
Ten aanzien van het medeplegen stelde de Hoge Raad vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom verdachte als medepleger moest worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen bleek niet dat verdachte uitvoeringshandelingen had verricht of dat sprake was van bewuste en nauwe samenwerking met anderen. De gedragingen van verdachte, hoewel intimiderend, konden niet zonder meer leiden tot de conclusie dat het slachtoffer door die gedragingen werd gedwongen tot afgifte van geld.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het medeplegen van de afpersing en poging tot afpersing betreft en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest is gedeeltelijk vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor hernieuwde behandeling van het medeplegen van afpersing.