ECLI:NL:HR:2005:AS2752
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid observaties en overgangsrecht bij telefoontaps in afpersingszaak
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de langdurige observaties van verdachte en de verlengde machtigingen voor telefoontaps rechtmatig waren. Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld tot bijna vier jaar gevangenisstraf voor afpersing samen met mededaders.
Het hof had geoordeeld dat de observaties, die 32 dagen verspreid over ruim drie maanden plaatsvonden op openbare plaatsen en ondersteund werden door camera's, geen schending van artikel 8 EVRM Pro opleverden omdat zij een voldoende wettelijke basis hadden in de Politiewet 1993 en het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de ernst van de verdenking en de wijze van observatie dit rechtvaardigden.
Daarnaast werd het overgangsrecht bij de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) besproken. De Hoge Raad stelde vast dat verlengingen van voor de Wet BOB verleende machtigingen voor telefoontaps ook na inwerkingtreding van die wet onder het oude regime moeten worden beoordeeld. Het hof had dit correct toegepast.
Ten slotte verwierp de Hoge Raad het verweer dat de bewezenverklaring onvoldoende was omdat niet duidelijk zou zijn dat verdachte samen met anderen had gehandeld. Uit de bewijsmiddelen bleek voldoende dat het feit gezamenlijk was gepleegd. Het cassatieberoep werd verworpen en het hofarrest bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot bijna vier jaar gevangenisstraf blijft in stand.