ECLI:NL:HR:2005:AS2746
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks onduidelijkheid toepassing
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Het hof oordeelde dat verdachte als werkgever in de zin van de Wav moest worden aangemerkt, ondanks betwisting van de raadsman dat de verdachte niet als werkgever kon worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigt dat de definitie van werkgever in de Wav een zelfstandige en ruime betekenis heeft, waarbij het niet noodzakelijk is dat er een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding bestaat.
De verdediging voerde aan dat er sprake was van verschoonbare dwaling over de toepasselijkheid van de Wav, en dat dit tot ontslag van rechtsvervolging zou moeten leiden. De Hoge Raad stelt echter dat het hof deze stelling niet als verweer heeft erkend en dat de omstandigheid dat onduidelijkheid bestond over de toepasselijkheid van de Wav aanleiding was voor het hof om de opgelegde geldboetes geheel voorwaardelijk te maken.
De Hoge Raad concludeert dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep. Hiermee blijft de veroordeling van verdachte wegens overtreding van de Wav in stand, met een geheel voorwaardelijke strafoplegging vanwege de onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de wet.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen met een geheel voorwaardelijke straf.