ECLI:NL:HR:2005:AS2745
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijs van verkeerde identiteit bij verduistering
De aanvrager was door de politierechter veroordeeld voor medeplegen van verduistering van benzine op 14 februari 2003. Hij verzocht om herziening van dit vonnis op grond van art. 457 Sv Pro, stellende dat niet hij, maar een onbekende ander het feit had gepleegd. Volgens hem waren zijn rijbewijs en identiteitsbewijs enkele maanden eerder gestolen en waren deze in bezit gekomen van die onbekende persoon, die bij aanhouding de personalia van de aanvrager had opgegeven.
Bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het bewijs voor de gestolen identiteitspapieren niet onomstotelijk was. De verklaring van een betrokkene die stelde dat hij niet de aanvrager was, maar een ander, werd niet geverifieerd. Ook ontbrak een ernstig vermoeden dat de aanvrager onterecht was veroordeeld.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was aanvankelijk dat de herziening gegrond zou zijn en dat de zaak zou moeten worden verwezen voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad volgde dit echter niet en wees de aanvrage af op grond van onvoldoende bewijs, conform art. 468 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af wegens onvoldoende bewijs dat niet de aanvrager, maar een ander de verduistering pleegde.