ECLI:NL:HR:2005:AS2133

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01501/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken bewijsmiddelen

De aanvrager heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarin hij was veroordeeld voor overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof had hem veroordeeld tot een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering, die voorschrijven dat een herzieningsverzoek moet steunen op nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het eerdere onderzoek niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak of een minder zware straf zou hebben geleid.

De aanvrager voerde aan dat inmiddels een ander persoon was veroordeeld voor hetzelfde feit, maar hij leverde geen bewijsmiddelen ter onderbouwing hiervan. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan de wettelijke vereisten en kon het niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde het verzoek tot herziening daarom niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijsmiddelen.

Uitspraak

4 januari 2005
Strafkamer
nr. 01501/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 31 oktober 2003, nummer 21/000366-03, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 11 oktober 2002 - de aanvrager ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 750,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijftien dagen hechtenis en tot ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. In de aanvrage is als omstandigheid aangevoerd dat inmiddels een ander is veroordeeld voor hetzelfde feit als waarvoor de aanvrager is veroordeeld. De aanvrager heeft evenwel geen opgave gedaan van bewijsmiddelen ter staving van die omstandigheid. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 januari 2005.