ECLI:NL:HR:2005:AR8891
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardebeschikking en gebruiksheffing bij onroerende zaak in OZB-procedure
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van zijn onroerende zaak voor het tijdvak 2001-2004, welke aanvankelijk op ƒ 788.000 was gesteld. Na bezwaar stelde de heffingsambtenaar de waarde bij op ƒ 402.000, waarna het Hof het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde en de waarde vaststelde op ƒ 320.000.
Belanghebbende voerde aan dat een deel van de grond niet in de gebruikersheffing betrokken mocht worden omdat hij dat gedeelte niet als gebruiker kon worden aangemerkt, en deed daarbij een beroep op artikel 220 van Pro de Gemeentewet. Het Hof heeft hierover echter geen uitspraak gedaan.
De Hoge Raad oordeelt dat het geschil over de waardebeschikking met de vaststelling van ƒ 320.000 is beslecht en dat de vraag over het gebruik van een gedeelte van de onroerende zaak en de daaraan verbonden gebruikersheffing niet in de waardebeschikkingsprocedure aan de orde is, maar in bezwaar en beroep tegen de aanslag op grond van de Gemeentewet moet worden behandeld.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de waardebeschikking van ƒ 320.000 blijft gehandhaafd.