ECLI:NL:HR:2005:AR7931

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/048HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep inzake bijdrage kosten verzorging en opvoeding minderjarig kind

De man verzocht de rechtbank Utrecht om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kind te verlagen of te beëindigen. De rechtbank wees dit verzoek af. Vervolgens stelde de man hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat de eerdere beschikking vernietigde en de bijdrage verlaagde naar €85 per maand, uitvoerbaar bij voorraad.

De man stelde hiertegen beroep in cassatie bij de Hoge Raad. De vrouw verscheen niet in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de beschikking van het hof waarin de bijdrage werd verlaagd. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Aaftink, Beukenhorst, Van Schendel en vice-president Neleman op 11 maart 2005.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verlaging van de bijdrage tot €85 per maand.

Uitspraak

11 maart 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/048HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 september 2002 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich in een procedure tegen verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gewend tot de rechtbank te Utrecht en verzocht de beschikking van 17 januari 2001 van deze rechtbank aldus te wijzigen, dat hij vanaf 19 juni 2002, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen, [het kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, meer verschuldigd is, althans een door deze rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage lager dan € 118,66 per maand.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2003 het verzoek van de man afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
De vrouw is in hoger beroep niet verschenen.
Bij beschikking van 8 januari 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, onder wijziging van de beschikking van 17 januari 2001, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormeld kind met ingang van de datum van deze beschikking bepaald op € 85,-- per maand en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 29 december 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 11 maart 2005.