ECLI:NL:HR:2005:AR7438

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/030HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling bijdrage levensonderhoud ex-partner na echtscheiding

De vrouw verzocht de rechtbank Maastricht om de man te veroordelen tot betaling van een maandelijkse bijdrage in haar levensonderhoud. De rechtbank beval een deskundigenonderzoek en veroordeelde de man tot betaling van een bedrag van € 998,32 per maand, met uitsluiting van wettelijke indexeringen over 1998-2002. Zowel de man als de vrouw gingen in hoger beroep bij het hof te 's-Hertogenbosch. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en stelde de bijdrage vast op hogere bedragen voor verschillende perioden, eveneens met uitsluiting van wettelijke indexeringen.

De man stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie en verwierp het beroep van de man. Hiermee bleef de bijdrage in levensonderhoud zoals vastgesteld door het hof ongewijzigd.

De uitspraak bevestigt de rechtspraak omtrent de vaststelling van alimentatie na echtscheiding en benadrukt het belang van deskundigenonderzoek en zorgvuldige beoordeling door lagere instanties. De Hoge Raad zag geen reden om in te grijpen in de beoordeling van feiten en omstandigheden door het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof betreffende de bijdrage in levensonderhoud.

Uitspraak

18 februari 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/030HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 18 januari 2000 ter griffie van de rechtbank te Maastricht ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - te veroordelen tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.429,41 (ƒ 3.150,--) per maand.
De man heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft na een tussenbeschikking van 4 juli 2000 bij tussenbeschikking van 3 oktober 2000 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd en vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht op 1 mei 2001 en een tussenbeschikking van 23 oktober 2001 heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 14 mei 2002 de vrouw ontvankelijk verklaard in haar verzoek en partijen in de gelegenheid gesteld nadere bescheiden in het geding te brengen.
De rechtbank heeft bij eindbeschikking van 26 november 2002 de man veroordeeld om, onder wijziging van hetgeen dienaangaande in het convenant van maart 1996 is opgenomen, met ingang van 22 juli 1996 aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 998,32 (ƒ 2.200,--) per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, wat betreft de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, met uitsluiting met betrekking tot voormeld bedrag van de wettelijke indexeringen over de jaren 1998 tot en met 2002, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen alle beschikkingen heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenbeschikking van 19 juni 2003 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een nader deskundigenonderzoek.
Bij eindbeschikking van 20 november 2003 heeft het hof in het principaal en in het incidenteel appel:
- de beschikkingen van de rechtbank van 4 juli 2000 en 14 mei 2002 bekrachtigd;
- de beschikking van de rechtbank van 26 november 2002 vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud als volgt vastgesteld:
- van 1 augustus 1999 tot 1 januari 2000 € 1.389,--;
- van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 € 1.634,-- en
- met ingang van 1 januari 2001 € 1.452,--, telkens per maand;
- de wettelijke indexeringen over de jaren 1999 tot en met 2002 uitgesloten, en
- het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de man heeft bij brief van 20 december 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 18 februari 2005.