ECLI:NL:HR:2005:AR7348
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vereiste ernstige bodemverontreiniging voor verhaal saneringskosten op grond van Wet bodembescherming
De Gemeente Bedum vorderde van [verweerder], huurder van een perceel waaruit bodemverontreiniging was ontstaan, vergoeding van kosten voor bodemsanering. De bodemverontreiniging was het gevolg van een brandstoflekkage uit een tank op het perceel van [verweerder], waardoor ook het aangrenzende perceel van [betrokkene 1] was verontreinigd.
De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel, waarbij het hof oordeelde dat niet was aangetoond dat sprake was van ernstige bodemverontreiniging zoals vereist in art. 75 lid 1 van Pro de Wet bodembescherming (Wbb). De gemeente stelde in cassatie dat dit vereiste niet gold voor haar vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.
De Hoge Raad oordeelde dat het vereiste van ernstige bodemverontreiniging ook geldt voor vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking op grond van art. 75 lid 3 Wbb Pro, omdat anders een ongerechtvaardigd onderscheid zou ontstaan tussen vorderingen uit onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. Bovendien stelde de Hoge Raad dat de gemeente geen belang had bij het slagen van het cassatieberoep, omdat het hof terecht had geoordeeld dat de bodemverontreiniging niet ernstig was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de gemeente in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee werd bevestigd dat het verhaal van saneringskosten op grond van de Wbb aan het vereiste van ernstige bodemverontreiniging is gebonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente wordt verworpen wegens het ontbreken van ernstige bodemverontreiniging als vereiste voor verhaal van saneringskosten.