ECLI:NL:HR:2005:AR6818

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39597
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 120 WaterschapswetArt. 131 Waterschapswet
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over geldige grondslag aanslag waterschapsomslag na teruggenomen WOZ-beschikking

Belanghebbende kreeg voor 2001 een aanslag in de waterschapsomslag opgelegd door het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, gebaseerd op een WOZ-waarde die later door de gemeente werd teruggenomen wegens een fout. Na bezwaar handhaafde de ambtenaar de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag.

De Hoge Raad oordeelt dat de brief van de gemeente waarin werd aangekondigd dat de WOZ-beschikking onjuist was en zou worden gecorrigeerd, ertoe leidt dat de WOZ-beschikking van 30 april 2001 geen rechtsgevolg kan hebben. Het hof heeft ten onrechte betekenis toegekend aan het feit dat geen bezwaar tegen die beschikking was gemaakt.

Het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap onderschrijft de gedragslijn om aanslagen pas vast te stellen nadat een juiste en onherroepelijke WOZ-beschikking is vastgesteld. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en vernietigt het hofarrest, draagt de ambtenaar op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.

De Hoge Raad wijst het verzoek af om de aanslag te verminderen tot de WOZ-waarde van het voorafgaande tijdvak, omdat dat in strijd is met de Waterschapswet en de toepasselijke verordening. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en draagt de ambtenaar op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar tegen de aanslag.

Uitspraak

Nr. 39.597
13 mei 2005
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 maart 2003, nr. P02/02481, betreffende na te melden aanslag in de waterschapsomslag.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de waterschapsomslag van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Hoogheemraadschap) opgelegd ten bedrage van ƒ 90,78, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het Hoogheemraadschap (hierna: de ambtenaar) is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de ambtenaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een bedrag van ƒ 90. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap (hierna: het dagelijks bestuur) heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 19 oktober 2004 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep van belanghebbende en tot vernietiging van de Hofuitspraak alsmede de aanslag.
Het dagelijks bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. De gemeente Q heeft aan belanghebbende bij brief van 11 april 2001 medegedeeld:
"Binnenkort zal u van de gemeente Q een nieuwe WOZ-beschikking ontvangen.
Bij controle is gebleken dat deze beschikking een onjuiste waarde vermeldt.
Het is echter niet mogelijk dit voor de verzending te corrigeren, daar de beschikking al bij de drukker ligt.
De gemeente is momenteel bezig deze waarde te corrigeren, u zult zo spoedig mogelijk de verbeterde WOZ-beschikking ontvangen. (...)"
3.1.2. Belanghebbende heeft vervolgens een waardebeschikking ontvangen, gedagtekend 30 april 2001, waarin de gemeente ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) meedeelt dat de waarde van de woning van belanghebbende voor het tijdvak 2001-2004 is vastgesteld op ƒ 447.000.
3.1.3. De ambtenaar heeft deze waarde (op het aanslagbiljet vermeld in de kolom "WOZ-waarde") ten grondslag gelegd aan de onderhavige aan belanghebbende opgelegde aanslag, gedagtekend 30 september 2001.
3.1.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, onder verwijzing naar de hiervoor in 3.1.1 geciteerde brief van de gemeente Q.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze brief weliswaar twijfel doet ontstaan over de vraag welke waarde de gemeente beoogde vast te stellen, maar dat niettemin sprake is van een waardebeschikking als voorzien in de Wet WOZ, waartegen geen bezwaar is gemaakt. De klacht richt zich tegen dit oordeel, met het betoog dat de WOZ-beschikking van 30 april 2001 rechtsgevolg ontbeert.
3.3. De klacht slaagt in zoverre dat de hiervoor in 3.1.1 geciteerde brief van de gemeente eraan in de weg staat dat in de verhouding tussen de gemeente en belanghebbende enig rechtsgevolg wordt verbonden aan de hiervoor in 3.1.2 omschreven "beschikking", zodat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat belanghebbende bij de gemeente geen bezwaar heeft gemaakt tegen die "beschikking". 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.
3.4. In zijn reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal heeft het dagelijks bestuur onderschreven dat - zoals in die conclusie is betoogd - de hiervoor in 3.1.2 omschreven "beschikking" rechtskracht ontbeert, en gewezen op zijn uit artikel 131 Waterschapswet Pro voortvloeiende gedragslijn om ingeval van bezwaar tegen een WOZ-beschikking te wachten tot er een juiste WOZ-beschikking is en deze onherroepelijk vaststaat, waarna het zijn aanslagen daaraan aanpast. In overeenstemming hiermee acht de Hoge Raad het in de gegeven omstandigheden doelmatig dat hier dezelfde gedragslijn wordt toegepast.
3.5. De Hoge Raad zal niet, zoals belanghebbende voorstaat, de aanslag verminderen tot op het bedrag dat strookt met de WOZ-waarde van zijn woning die vastgesteld is voor het tijdvak voorafgaande aan het onderhavige heffingsjaar. Daartegen verzetten zich artikel 120, lid 2, van de Waterschapswet en het daarmee in overeenstemming zijnde artikel 9, lid 1, van de toepasselijke omslagverordening.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de ambtenaar,
draagt de ambtenaar op met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende, en gelast dat het Hoogheemraadschap aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 87.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2005.