ECLI:NL:HR:2005:AR4854

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/082HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • P.C. Kop
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omgangsregeling en informatieverstrekking na echtscheiding

De vader heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het vaststellen van een omgangsregeling met zijn twee minderjarige kinderen uit het ontbonden huwelijk met de moeder. De moeder heeft dit verzoek bestreden. De rechtbank wees het verzoek op 19 juni 2002 af. De vader ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 januari 2003 verzocht de vader subsidiair om een verplichting voor de moeder tot het verstrekken van informatie over de kinderen.

Het hof stelde de behandeling aan en liet de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek instellen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling, waarbij proefcontacten tussen vader en kinderen werden voorbereid. Na ontvangst van het rapport van de Raad bekrachtigde het hof bij eindbeschikking van 23 maart 2004 het vonnis van de rechtbank en kende het het subsidiaire verzoek tot informatieverstrekking toe.

De vader stelde beroep in cassatie in tegen deze eindbeschikking. De moeder verzocht het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af zonder nadere motivering, conform artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot omgangsregeling.

Uitspraak

14 januari 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/082HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 26 oktober 2001 ter griffie van de rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die rechtbank en verzocht een omgangsregeling vast te stellen met de twee uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader met verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - geboren minderjarige kinderen.
De moeder heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2002 het verzoek van de vader afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 21 januari 2003 heeft de vader subsidiair verzocht aan de moeder een verplichting tot het verstrekken van informatie als bedoeld in art. 1:377b BW op te leggen.
Bij tussenbeschikking van 11 februari 2003 heeft het hof de behandeling aangehouden en de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling en daartoe een aantal proefcontacten tussen de vader en de kinderen voor te bereiden. Nadat de raad voor de kinderbescherming rapport had uitgebracht, heeft het hof bij eindbeschikking van 23 maart 2004 de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2002 bekrachtigd en het subsidiaire verzoek van de vader om toezending van informatie over de kinderen toegewezen
De eindbeschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft verzocht de vader in zijn cassatieverzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vader heeft bij brief van 12 november 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 januari 2005.