ECLI:NL:HR:2004:AR7766
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing overgangstarief 15% vennootschapsbelasting bij statusverlies beleggingsinstelling
Belanghebbende was tot en met 31 december 1996 een beleggingsinstelling en verloor per 1 januari 1997 haar status als zodanig. In 1996 bracht belanghebbende haar gehele beleggingsportefeuille in een commanditaire vennootschap (cv) in, waarbij een deel van het resultaat verschoof naar een door een aandeelhouder beheerste vennootschap. Dit leidde tot een toevoeging aan de herbeleggingsreserve.
De Inspecteur handhaafde een aanslag vennootschapsbelasting over 1997, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en paste het overgangstarief van 15% toe op de herbeleggingsreserve. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever het overgangstarief uitsluitend wilde toepassen op de herbeleggings- en afrondingsreserve en niet op overige meerwaarden, maar dat het wel toegestaan is om meerwaarden voorafgaand aan statusverlies te realiseren en toe te voegen aan de herbeleggingsreserve. De Hoge Raad verwierp het verweer dat sprake zou zijn van een gekunstelde herwaardering en bevestigde dat de verschuiving van het belang in de portefeuille geen strijd oplevert met doel en strekking van de wet.
Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard en deze werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat het overgangstarief van 15% vennootschapsbelasting van toepassing is op de herbeleggingsreserve bij statusverlies van een beleggingsinstelling.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het overgangstarief van 15% wordt bevestigd op de herbeleggingsreserve.