ECLI:NL:HR:2004:AR5979
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Houder fictief aanmerkelijk belang valt onder buitenlandse belastingplicht Wet IB 1964
Belanghebbende, die in 1992 vanuit Nederland naar België verhuisde, werd voor het jaar 1997 aangeslagen voor inkomstenbelasting over rente van een vordering op een BV waarin hij geen aandelen bezit, maar waarvan zijn dochter middellijk 16 2/3% aandelen houdt.
De Inspecteur rekende de ontvangen rente toe aan het binnenlandse onzuivere inkomen op grond van artikel 49, lid 1, aanhef en letter c, onder 4º, Wet IB 1964. Het Hof bevestigde deze aanslag en oordeelde dat de fictieve aanmerkelijk belangregeling van artikel 20a, lid 5, Wet IB 1964 van toepassing is.
In cassatie stelde belanghebbende dat deze toepassing onjuist was. De Hoge Raad oordeelde dat de tekst en parlementaire geschiedenis van artikel 20a, lid 5, Wet IB 1964 duidelijk maken dat ook houders van een fictief aanmerkelijk belang onder de buitenlandse belastingplicht vallen zoals bedoeld in artikel 49, lid 1, aanhef en letter c, onder 4º, Wet IB 1964.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee is bevestigd dat de belastingplicht voor fictief aanmerkelijk belang geldt in de buitenlandse belastingplichtregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de houder van een fictief aanmerkelijk belang onder de buitenlandse belastingplicht valt.