ECLI:NL:HR:2004:AR4484

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/021HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperking alimentatieverplichting na echtscheiding

De vrouw heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot echtscheiding en een uitkering tot levensonderhoud van 12.500 gulden per maand gevorderd. De man heeft dit bestreden en verzocht de onderhoudsverplichting te beperken tot vijf jaar na ontbinding van het huwelijk. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld tot betaling van alimentatie, aanvankelijk 9.600 gulden en later 12.500 gulden per maand.

De man stelde hoger beroep in tegen deze beslissingen, met name tegen de duur van de alimentatieverplichting. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de eerste beschikking, vernietigde de tweede beschikking en stelde de alimentatie vast op € 1.357 per maand, met een einddatum van 21 november 2013 voor de alimentatieverplichting.

De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af zonder nadere motivering, aangezien er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De uitspraak bevestigt de mogelijkheid om de duur van de alimentatieverplichting te beperken en onderstreept de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van dergelijke beslissingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beperking van de alimentatieverplichting van de man.

Uitspraak

24 december 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/021HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.C.J. Jehee,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 31 mei 2000 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en als nevenvoorziening - voor zover in cassatie nog van belang - ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op ƒ 12.500,-- per maand.
De man heeft het bijdrageverzoek van de vrouw bestreden en zelfstandig de rechtbank verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting jegens de vrouw zal eindigen vijf jaar na de ontbinding van het huwelijk.
De vrouw heeft het limiteringsverzoek van de alimentatieduur van de man bestreden
De rechtbank heeft bij beschikking van 31 augustus 2001 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man veroordeeld om met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand voorlopig, zolang over de vanaf die inschrijving verschuldigde alimentatie niet nader is beslist, tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van ƒ 9.600,-- per maand, en deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij beschikking van 21 januari 2003 heeft de rechtbank de man veroordeeld om met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren een bedrag van € 5.672,25 (ƒ 12.500,--) per maand, deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het verzoek van de man de door de vrouw te ontvangen uitkering tot haar levensonderhoud in duur te beperken afgewezen.
Tegen deze twee beschikkingen heeft de man op 10 april 2003 (onder rekestnummer 273-H-03) hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft op 28 mei 2003 een verweerschrift ingediend.
Bij beschikking van 5 november 2003 heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep in de zaak met bovenvermeld rekestnummer, voorzover dit zich richt tegen de beschikking van 31 augustus 2001, de bestreden beschikking van 21 januari 2003, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 21 augustus 2002 bepaald op € 1.357,-- per maand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te verstrekken eindigt op 21 november 2013, en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 29 oktober 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 december 2004.