Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AR4368

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39234
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • J.C. van Oven
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over aftrekbaarheid autokosten als buitengewone lasten wegens invaliditeit

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 61.048. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot ƒ 60.854. Het geschil betrof de aftrekbaarheid van autokosten als buitengewone lasten wegens invaliditeit op grond van artikel 46 Wet Pro IB 1964.

Het Hof had geoordeeld dat de door belanghebbende gemaakte autokosten hoger waren dan die van vergelijkbare niet-invalide personen, maar hield geen rekening met een door belanghebbende ontvangen vergoeding van ƒ 2.407 voor woon-werkverkeer. De Hoge Raad stelde dat deze vergoeding in mindering gebracht moet worden op de aftrekbare kosten.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en oordeelde dat het bedrag van de autokosten, verminderd met de vergoeding, lager was dan het normale bestedingspatroon van vergelijkbare niet-invalide personen. Daarom was er geen recht op aftrek als buitengewone lasten. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van autokosten als buitengewone lasten wegens invaliditeit.

Uitspraak

Nr. 39.234
22 oktober 2004
MvA
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2002, nr. P01/02618, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 61.048, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 60.854. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Voor het Hof was in geschil of, en zo ja tot welk bedrag, de door belanghebbende gemaakte autokosten in aftrek kunnen worden gebracht als buitengewone lasten (uitgaven ter zake van invaliditeit) op de voet van artikel 46, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende in het jaar 1999 gemaakte autokosten ten bedrage van ƒ 12.142 de autokosten van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie als belanghebbende verkeren, met ƒ 1978 overtreffen.
3.2. Het middel voert aan dat het Hof, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1971, nr. 16584, BNB 1971/234, bij de bepaling van de als buitengewone lasten in aanmerking te nemen autokosten rekening had moeten houden met de door belanghebbende van zijn werkgever ontvangen vergoeding van ƒ 2407 voor reiskosten van woon-werkverkeer.
3.3. Het middel slaagt. Voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre de kosten van een in verband met ziekte of invaliditeit gehouden auto die niet zijn aan te merken als kosten van vervoer in rechtstreeks verband met het verkrijgen van genees-, heel- of verloskundige hulp of als kosten ter zake van regelmatig ziekenbezoek, kunnen worden gerangschikt onder de buitengewone lasten ter zake van ziekte en invaliditeit als bedoeld in artikel 46, lid 1, letter b, en lid 3, van de Wet, moet worden bepaald of en in hoeverre de in een kalenderjaar door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als de betrokkene. Als door de zieke of gehandicapte gemaakte autokosten komen slechts in aanmerking de op hem drukkende uitgaven; een eventueel daarvoor ontvangen vergoeding dient, voorzover deze niet tot het inkomen behoort (HR 12 maart 1980, nr. 19726, BNB 1980/117), op het in aanmerking te nemen totaal in mindering te worden gebracht. Het Hof had derhalve bij zijn beantwoording van voormelde vraag niet moeten uitgaan van het totaal van de door belanghebbende in het onderhavige jaar gemaakte autokosten ad ƒ 12.142, maar - zoals blijkens de stukken van het geding tussen partijen ook niet in geschil was - van dat bedrag verminderd met de door belanghebbende voor de reiskosten woon-werkverkeer van zijn werkgever ontvangen vergoeding van ƒ 2407, dus van ƒ 9735.
3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat het tot het normale bestedingspatroon behoort van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als belanghebbende, om jaarlijks ƒ 10.164 uit te geven aan autokosten. Nu dit bedrag het op belanghebbende drukkende bedrag aan autokosten overtreft, heeft belanghebbende ter zake van die autokosten geen recht op aftrek als buitengewone lasten.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2004.