ECLI:NL:HR:2004:AR3725
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid voorlopige maatregel Wet arbeid vreemdelingen en verwerpt cassatie
In deze zaak stond centraal de vraag of een door de officier van justitie opgelegde voorlopige maatregel op grond van artikel 28 van Pro de Wet op de economische delicten (WED) rechtsgeldig en uitvoerbaar was op het moment dat verdachte deze overtrad. De verdachte was door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk in strijd handelen met deze voorlopige maatregel, die haar verbood werkzaamheden voort te zetten met werknemers zonder geldige verblijfsstatus of tewerkstellingsvergunning.
De verdediging voerde aan dat het bevel onrechtmatig was omdat het feitelijk neerkwam op een gedeeltelijke stillegging van de onderneming, een bevoegdheid die volgens hen uitsluitend aan de rechter toekwam. Tevens werd aangevoerd dat het bevel te algemeen en onvoldoende concreet was geformuleerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het bevel krachtens artikel 31 WED Pro dadelijk uitvoerbaar was en slechts rechtskracht verloor door intrekking of opheffing, hetgeen niet was gebeurd.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat de voorlopige maatregel geldig was en dat de verdachte deze had overtreden. De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen, waarna het beroep werd afgewezen. Hiermee werd de veroordeling van de verdachte tot geldboetes bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en het niet naleven van een voorlopige maatregel.