ECLI:NL:HR:2004:AR3108
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing landbouwvrijstelling bij verkoop gronden voor natuurbeheer
Belanghebbende exploiteerde in maatschapsverband een landbouwbedrijf op twee boerderijen met gronden. In 1998 werden deze boerderijen en gronden verkocht aan een vereniging die de gronden wilde gebruiken voor natuurbeheer. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, welke na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat de voorgenomen aanwending van de gronden niet gericht was op het voortbrengen van dierlijke of plantaardige producten, maar op natuurbeheer. Hierdoor was toepassing van de landbouwvrijstelling niet aan de orde.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en dat de feitelijke waarderingen in cassatie niet konden worden getoetst. Het tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de landbouwvrijstelling wordt niet toegepast op de verkoop van gronden voor natuurbeheer.