ECLI:NL:HR:2004:AR3104

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39902
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Invorderingswet 1990Art. 49 Invorderingswet 1990Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang burgerlijke rechter bij aansprakelijkstelling op grond van Invorderingswet 1990

De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk voor een deel van de vennootschapsbelastingaanslagen van X Beleggingsmaatschappij B.V. over 1991 en 1992, inclusief verhogingen en heffingsrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen, maar de ontvanger nam deze bezwaren niet in behandeling. Belanghebbende ging daarop in beroep bij het Hof, dat het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De kernvraag was of belanghebbende als aansprakelijkgestelde toegang had tot de belastingrechter voor bezwaar en beroep tegen de aanslagen. De Hoge Raad oordeelde dat op het moment van bezwaar maken belanghebbende geen wettelijke bevoegdheid had om bezwaar en beroep tegen de aanslagen aan te wenden bij de belastingrechter.

Het Hof had daarom terecht geoordeeld dat belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter moest wenden en niet tot de belastingrechter. Dit oordeel bleef ook gelden ongeacht of de brief van 16 juli 1999 aan belanghebbende van de ontvanger of inspecteur afkomstig was. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter moet wenden.

Uitspraak

Nr. 39.902
1 oktober 2004
JS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch van 11 april 2003, nr. 99/02549, betreffende na te melden aanslagen in de vennootschapsbelasting
1. Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof
De Ontvanger heeft bij kennisgeving van 21 januari 1999 op de voet van artikel 49, lid 2, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) aan X (hierna: belanghebbende) medegedeeld dat hij hem op grond van artikel 40 van Pro de Wet, tekst 1999, aansprakelijk stelt voor een gedeelte groot ƒ 719.311 van de aan X Beleggingsmaatschappij B.V. (later genaamd: X Invest B.V.) opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting 1991 en 1992, de bij het opleggen van voornoemde aanslagen opgelegde verhogingen en de beschikkingen inzake heffingsrente.
Belanghebbende heeft tegen die aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt.
De Ontvanger heeft belanghebbende per brief van 16 juli 1999 laten weten dat de bezwaarschriften niet in behandeling worden genomen.
Op 27 augustus 1999 is belanghebbende bij het Hof in beroep gekomen tegen dit besluit, dat door hem werd beschouwd als een schriftelijke weigering van de Inspecteur om een uitspraak op het bezwaar te doen.
Het Hof heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat ten tijde dat belanghebbende bezwaar maakte tegen de aan X Beleggingsmaatschappij B.V. opgelegde aanslagen c.a., hij niet aan enige wettelijke bepaling de bevoegdheid kon ontlenen de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep aan te wenden tegen die aanslagen.
3.2. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende ter zake van zijn bezwaren tegen de hoogte van de aanslagen c.a. geen toegang heeft tot de belastingrechter, maar zich dient te wenden tot de burgerlijke rechter. Dit oordeel is juist. De middelen II en III die uitgaan van een andere rechtsopvatting falen derhalve. Omdat het vorenstaande geldt ongeacht of de brief van de belastingdienst van 16 juli 1999 moet worden toegeschreven aan de Ontvanger dan wel aan de Inspecteur, kan bij gebrek aan belang ook middel I niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.