ECLI:NL:HR:2004:AR3090
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- J.C. van Oven
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over proceskostenveroordeling bij roerenderuimtebelastingen
Belanghebbenden kregen aanslagen roerenderuimtebelastingen opgelegd door de gemeente Amsterdam voor de jaren 1997 en 1998. Na bezwaar en beroep bij het Hof werden de aanslagen deels vernietigd of verminderd, en werden de proceskosten aan de zijde van belanghebbenden toegewezen op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraken van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat de beroepen niet als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht konden worden beschouwd, omdat niet was voldaan aan het vereiste van nagenoeg identieke werkzaamheden en gelijktijdige indiening.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat sprake was van pro-forma beroepschriften met identieke motiveringen, omdat in elke zaak individuele omstandigheden en heffingsgrondslagen beoordeeld moesten worden. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en het college werd veroordeeld in de proceskosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het college van B en W Amsterdam wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.