ECLI:NL:HR:2004:AQ8808
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van appèldagvaarding wegens niet-uitreiking in persoon en ontvankelijkheid cassatieberoep
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verdachte in hoger beroep werd veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. De verdachte was niet verschenen bij de zitting van het hof, waar verstek tegen haar werd verleend. In cassatie werd aangevoerd dat de appèldagvaarding niet persoonlijk aan de verdachte was uitgereikt en dat de akte van uitreiking niet door haar was ondertekend, met een discrepantie in het identiteitsbewijsnummer.
De Hoge Raad oordeelde dat het aannemelijk is dat de dagvaarding niet persoonlijk is betekend, waardoor deze niet geldig was. Omdat verdachte niet op de terechtzitting verscheen maar ook niet is gebleken van omstandigheden die verstek rechtvaardigen, en zij binnen de gestelde termijn cassatieberoep instelde, werd zij ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep.
Het middel dat klaagt over de geldigheid van de dagvaarding werd gegrond verklaard. De bestreden uitspraak van het hof kon daardoor niet in stand blijven en werd vernietigd. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 12 oktober 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens nietigheid van de appèldagvaarding en verklaart verdachte ontvankelijk in het cassatieberoep.