ECLI:NL:HR:2004:AQ8461
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontoelaatbaarheid uitleveringsverzoek wegens ongenoegzame feitentoelichting
De zaak betreft een cassatieberoep van de Officier van Justitie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Assen die een uitleveringsverzoek van België ontoelaatbaar heeft verklaard. Het verzoek betrof uitlevering van een persoon geboren in 1954, woonachtig in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken, waaronder een strafdossier en een door de OvJ opgesteld overzicht van strafbare feiten, onvoldoende waren om vast te stellen voor welke feiten uitlevering werd gevraagd.
De Hoge Raad bevestigt dat het doel van art. 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het Benelux-uitleveringsverdrag (BUV) is dat op een doelmatige wijze kan worden nagegaan of de feiten strafbaar zijn volgens Nederlands recht en tot uitlevering kunnen leiden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de stukken ongenoegzaam zijn omdat de verzoekende staat geen gewijzigd of aanvullend overzicht van de feiten heeft overgelegd.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak niet, maar verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de ontoelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek. De motivering van de rechtbank is toereikend en niet onbegrijpelijk. Hiermee blijft het uitleveringsverzoek afgewezen vanwege onvoldoende feitentoelichting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontoelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek wegens onvoldoende feitentoelichting.