ECLI:NL:HR:2004:AQ0048
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tegenbewijs rente-temporisering bij bank in vennootschapsbelasting
De Inspecteur stelde het verlies van belanghebbende voor het jaar 1997 vast en handhaafde dit na bezwaar. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.
De zaak betrof de toepassing van artikel 15, lid 5, aanhef en letter a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarin is bepaald dat rente-temporisering niet geldt indien kan worden aangetoond dat de lening voor de aandelenverwerving is aangetrokken van niet-verbonden lichamen. Het Hof oordeelde dat overtuigend bewijs vereist is dat de lening specifiek met het oog op de aandelenverwerving van een niet-verbonden lichaam is aangetrokken, en dat belanghebbende dit bewijs niet had geleverd.
Belanghebbende voerde aan dat voor banken volstaat dat zij ten tijde van de leningverstrekking over voldoende vreemd vermogen beschikten, maar de Hoge Raad verwierp dit betoog. De Hoge Raad benadrukte dat ook banken niet in een wezenlijk andere positie staan dan andere ondernemingen en dat het bewijs van een specifiek verband met de overname vereist blijft.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Het arrest bevestigt de strikte bewijsvereisten voor het tegenbewijs bij rente-temporisering in het kader van de Wet op de vennootschapsbelasting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat het vereiste tegenbewijs niet is geleverd blijft in stand.