ECLI:NL:HR:2004:AP8079
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg begrip 'brengen in oppervlaktewater' bij verontreiniging
In deze zaak stond centraal de vraag of het handelen van de verdachte, waarbij Maasslib in een grindgat werd gebracht dat in open verbinding stond met de Maas, valt onder het begrip 'brengen in oppervlaktewater' zoals bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
De verdachte voerde aan dat het merendeel van het slib niet daadwerkelijk in het oppervlaktewater was gebracht, maar slechts werd verplaatst binnen het waterlichaam, en dat het slib afkomstig was uit de Maas zelf. De Hoge Raad bevestigde echter de ruime uitleg van het begrip 'brengen in oppervlaktewater', waarbij ook het terugvoeren van stoffen die op de drooggevallen rivierbedding waren achtergebleven, en het onder water verplaatsen van stoffen, hieronder valt.
Het Hof had geoordeeld dat de verdachte opdracht had gegeven tot het storten en verplaatsen van verontreinigende stoffen in het grindgat, wat in open verbinding stond met de Maas. De Hoge Raad vond dat het Hof de juiste uitleg had gegeven en dat het ontbreken van een expliciete motivering over het begrip 'brengen' niet tot cassatie leidt.
Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde daarmee de veroordeling voor het opzettelijk overtreden van milieuregels zonder vergunning. De straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk overtreden van milieuregels wordt bevestigd.