ECLI:NL:HR:2004:AP1385

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40010
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt correctie ondernemingsvermogen bij belastingaanslag ondanks eerdere vermogensetikettering

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 776.657, waarbij de Inspecteur de winst corrigeerde door kwekersgronden tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Belanghebbende had deze gronden tot dan toe als privévermogen aangemerkt. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd.

In cassatie stelde belanghebbende dat de foutenleer niet juist werd toegepast en dat de Inspecteur onterecht de winst corrigeerde in het jaar van staking/verkoop. De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat de Inspecteur vanaf 1995 op de hoogte was van de onjuiste etikettering niet verhinderde dat in 1998 de juiste fiscale behandeling werd toegepast, tenzij het vertrouwensbeginsel succesvol zou worden ingeroepen.

De Hoge Raad verwierp het beroep omdat vaststond dat een juiste etikettering in eerdere jaren geen andere fiscale gevolgen zou hebben gehad. Tevens werd geen reden gezien voor een proceskostenveroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag op basis van ondernemingsvermogen bevestigd.

Uitspraak

Nr. 40.010
11 juni 2004
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 juli 2003, nr. 02/01206, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 776.657, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Middel II kan evenmin slagen. Tussen partijen is niet in geschil dat de kwekersgronden van belanghebbende tot zijn ondernemingsvermogen behoorden, hoewel belanghebbende die gronden steeds tot zijn privé-vermogen had gerekend. Dat de Inspecteur al vanaf 1995 op de hoogte was van de onjuiste etikettering door belanghebbende kan niet verhinderen - tenzij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel zou kunnen worden gedaan - dat hij eerst in het jaar dat de onderneming wordt gestaakt c.q. de gronden worden verkocht (1998), de aangegeven winst aldus corrigeert dat in de opgelegde aanslag wordt uitgegaan van ondernemingsvermogen. Het beroep van belanghebbende op een onjuiste toepassing van de zogenoemde foutenleer gaat reeds niet op, omdat in het onderhavige geval vaststaat dat een juiste etikettering in de jaren tot 1998 niet tot andere fiscale gevolgen zou hebben geleid.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2004.