Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AP1379

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39500
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67g AWRArt. 67k AWRArt. 6:22 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag en toepassing artikel 67k AWR bij belastingverhoging

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 32.345. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 82.345 en een verhoging van 100 procent, waarvan 50 procent werd kwijtgescholden. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag en de verhoging gehandhaafd.

Belanghebbende stelde dat de Inspecteur artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet had nageleefd bij het vaststellen van de verhoging. Het Hof oordeelde echter dat ondanks het niet naleven van artikel 67k, belanghebbende niet in haar belang was geschaad, mede vanwege de gegronde vrees bij de Belastingdienst en de mogelijkheid voor belanghebbende om zich te verweren tijdens bezwaar en beroep.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het verzuim van de Inspecteur geen invloed had gehad op de hoogte van de boete en dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de verhoging blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 39.500
11 juni 2004
AF
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 januari 2003, nr. 01/00022, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.345. Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 82.345, met een verhoging van de nageheven belasting van 100 percent, van welke verhoging bij het vaststellen van de aanslag tot op 50 percent kwijtschelding is verleend. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de bestreden uitspraak bevestigd.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de Inspecteur bij het vaststellen van de in de aanslag begrepen verhoging het bepaalde in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) niet heeft nageleefd. Niet werd betwist dat de Inspecteur wel heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 67g, lid 2, AWR. Het Hof heeft, kennelijk uitgaande van de juistheid van voormelde stelling, in de omstandigheden van dit geval onvoldoende aanleiding gezien om gevolgen te verbinden aan het niet in acht nemen van het bepaalde in artikel 67k AWR, zoals verdere kwijtschelding van de verhoging. Het Hof heeft daartoe overwogen dat bij de Belastingdienst gegronde vrees aanwezig kon zijn voor handelingen van belanghebbende en/of haar medevennoot die de belangen van de fiscus zouden kunnen schaden en dat voor belanghebbende in de fase van bezwaar en in de fase van beroep voldoende gelegenheid heeft bestaan om zich tegen de toegepaste verhoging te verweren.
In voormelde oordelen en de daarop berustende beslissing ligt besloten het oordeel van het Hof dat belanghebbende, gelet op hetgeen het horen in de bezwaarfase heeft opgeleverd, door de niet naleving van het bepaalde in artikel 67k van voormelde wet niet in haar belang is geschaad. Dit oordeel geeft, nu het verzuim van de Inspecteur geen invloed heeft gehad op de hoogte van de uiteindelijk opgelegde boete, en mede in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Middel III dat zich tegen dit oordeel keert, faalt derhalve.
3.2. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2004.